Hierboven ziet U de voorplaat van het boek "Harlingen en zijn lijnen over de Noordzee" wat ik in 1999 heb geschreven. Het gaat over de Harlinger handelshaven van 1845 tot 1985.
Met vele foto's. Er zijn er nog een honderd over.
Verkrijgbaar in de boekhandel of bij Flevodruk.(tel. 0517 430043) Het kost 17 euro.   
ISBN : 90-886-37-6

 

LONG, LONG AGO

Het was in 1957 dat wij naar Harlingen verhuisden.  In dat jaar is deze foto van mij gemaakt. Ik sta hier aan het einde van de Johan Willem Frisostraat vlakbij de Bolswardervaart. Met mijn  karretje. In de kar ligt mijn beer. (niet zo duidelijk) Helemaal rechts op deze foto, nog net te zien. de toren van de katholieke kerk. Verder rechts een lange houten schuur en een wit gekalkt huis samen onder een roodpannen dak.  Zo klein als ik was boeide dit oude gebouw me al. Tientallen jaren later zou ik leren dat deze oude schuur en de woning bij de de in 1934 gesloopte molen DE STANDVASTIGHEID hoorde. 

Hierboven een prachtige foto van het industriegebied ten Zuiden van de stad aan de Bolswardervaart. Links de STANDVASTIGHEID. Deze molen was uit steen opgebouwd en werd gebruikt voor het malen van tufsteen, looderts, marmer en krijt. De meeste molens aan de Bolswardervaart waren overigens houtzaagmolens. In het midden op de foto staat een dakpannenfabriek en op de achtergrond de ELF HOUTSCHUREN.  Deze foto zal zo'n beetje rond de eeuwwisseling gemaakt zijn. Al deze gebouwen zijn nu weg. Oostelijk van de Bolswardervaart is Plan Zuid gebouwd. Het Westelijk gedeelte ligt nog altijd braak en is een niet-officieel natuurgebied geworden. Moge dat nog lang zo blijven. Wie meer wil weten over de Harlinger molens kan bij Flevodruk in Harlingen het boek van Tj.Severein bestellen met de titel: MOLENS IN EN OM HARLINGEN EEN RIJKE HISTORIE.

De houtzaagmolen AREND aan de Bolswardervaart. Helemaal links de STANDVASTIGHEID

 
Toen ik vier jaar oud werd ging ik naar de kleuterschool in de binnenstad. De 'kiepeskoal' in de William Boothstraat. Ik kwam voor het eerst in de oude binnenstad van Harlingen. Dat was in 1958 nog een hele onderneming voor de kinderen uit de nieuwbouwwijk Plan Zuid aan de rand van de stad.  'Us mem' bracht mijn broer en mij naar het station. Daar kwamen de kinderen uit Plan Zuid en uit de nog nieuwere nieuwbouwwijk het Oosterpark 'tegearre'. Daar werden we opgewacht door juffrouw Tot. Ze had een groot stuk touw meegenomen. Om de dertig centimeter was een knoop gelegd in dit touw.  Iedere kleuter pakte zo'n knoop vast en zo gingen we over de Kerkpoortbrug de oude stad in. Door de Kerkpoortstraat en dan via de Moriaanstraat en de Fabrieksstraat langs de verkrotte straatjes achter de gasfabriek. Harlingen telde toen vele onbewoonbare en leegstaande gebouwen. 

De Odolphisteeg in de vijftiger jaren.

 
Harlingen was geen rijke stad. Ooit in de zeventiende eeuw was het dat wel geweest. Vooral in de periode vanaf de landbouwcrisis zo rond 1880 tot de tweede wereldoorlog is de stad achteruit gegaan. Er was in die tijd een trek van de rijken uit Friesland naar Den Haag. Daar in de politieke hoofdstad van de gecentraliseerde staat Nederland waren de goede banen in de politiek te krijgen. De groeiende industrie in het Westen van het land gaf ook goede banen voor mensen uit de hoge stand. De doopsgezinde bovenlaag uit Harlingen ging langzaam richting Randstad. Hun ouderwetse kwijnende bedrijfjes achterlatend en hun kapitaal meenemend.  Alleen de haven van Harlingen floreerde nog. Maar de stad verarmde. 

     En grote volksbuurt .....

 
Op de kleuterschool in de William Boothstraat leerde ik de Harlinger jeugd voor het eerst kennen. 'Un groate freet had'n se wel'. Fel volk was het die gewone Harlinger binnenstad bewoners. Omvangrijke vrouwen, hun 'moekes', brachten de kinderen naar school. De Harlinger 'kienders' kwamen van de Zoutsloot, het Rooie dorp, de buurt achter de Skouburg en ook uit de Nieuwstraat. Op een paar winkelstraten en de Noorderhaven na was Harlingen in de vijftiger jaren eigenlijk nog n grote volksbuurt. In de klas bij juf Hofman of juf Van der Zee hield 'ut jonge spul' zich wel rustig. We werden beziggehouden met het vouwen van hoedjes van papier, papier vlechten, plakken en kleien. Bij het kleien stond ik naast Liesje. Een lief meisje dat woonde in de Rozemarijnstraat. Lieschje slischte een beetje. 's Middags gingen we het schoolplein op. En dan begon de strijd onder de jongens om de autobanden. Er waren te weinig autobanden. Naast de school was een groot bedrijf. Algra en Ypey heette het. Af en toe gooide n van de mensen die er werkte een oude band die van n van hun vrachtwagens kwam over het muurtje van ons schoolplein. Er was n witte autoband bij. Die kwam van baas Ypey zijn eigen luxe wagen denk ik. Wie jarig was kreeg deze witte autoband. Zo kreeg ik ook n keer een autoband. Want om mezelf dagelijks te begeven in de kluwen vechtende jongetjes en autobanden durfde ik niet. Eigenlijk had ik maar een hekel aan deze Harlinger jeugd. Ruwe drukke kinderen altijd hun snotbongels ophalend net voordat ze op hun bovenlip dreigden te komen. Maar ze hadden een heel andere achtergrond dan ikzelf.

De 'kienders van de Nieuwstraat' in de vijftiger jaren.

 
Het leven was niet zo makkelijk in Harlingen. Ook na de tweede wereldoorlog was bij de meeste mensen in Harlingen het geld op aan het einde van de maand. En op vakantie gaan is ook tegenwoordig voor veel mensen in Harlingen nog geen vanzelfsprekendheid. In de oude huizen met onbeschoten daken woonden de mensen. Ze sliepen allemaal onder het dak waar het 's winters ijskoud was en zomers heet. Bij velen stond de "skietton" ook op zolder. Zoals vele andere kuststeden was Harlingen een roerig stadje. In 1847 na het aardappeloproer werd een eenheid soldaten gelegerd in het oude Admiraliteitsgebouw aan het Havenplein. In de negentiger jaren van de negentiende eeuw, toen het socialisme hier onder de vele onkerkelijken zijn aanhamgers kreeg, was de bereden marechaussee vaak aanwezig om de orde te handhaven. Men durfde het met de burger millitie niet aan. Vandaag de dag loopt er door het karakter van veel Harlingers nog een streepje anarchisme. In 1904 was Harlingen de tweede stad in Nederland, na Amsterdam, waar het Leger des Heils zich vestigde. Zij vond haar aanhang onder arme gelovigen die zich van de protestantse kerk hadden afgekeerd. Er was tot in de tachtiger jaren van de twintigste eeuw gemeentepolitie in Harlingen. "Veertig plisies" die de zaak hier in de hand moesten houden. In de zeventiger jaren was er nog op iedere  oudjaarsavond "slaanderij" in de oude binnenstad.
De gemeentepolitie uitgerust met honden en wapenstokken versus de jeugd. Velen kregen er dan van langs en als ze dan de volgende dagen zo'n politieman tegenkwamen, die allemaal bij naam bekend waren, sloeg een Harlinger niet zijn ogen neer. Nee met een dichtgeslagen oog lachtten ze dan gemeen naar de politieman. Een soort blik van verstandhouding. Zo waren Harlingers wel. Harlingen is een stad die zon 80 jaar tegen de economische stroom inroeide en een bevolking van wie het karakter daar naar gevormd is. Alleen in Maastricht was de werkloosheid in de dertiger jaren hoger dan in Harlingen. Het felle van de Harlingers kwam ook tot uiting in de sport. Het straatkaatsen bijvoorbeeld dat nog ieder jaar gehouden wordt Het duurt een week lang. Luidruchtige avonden waren dat. Er werd nooit alleen met techniek en behendigheid gestreden maar er werd ook geprobeerd om de tegenstanders " dur f te lullen". Vooral de Friese jongens die uit de dorpen om Harlingen wegkwamen om mee te doen waren niet altijd bestand tegen dit verbale geweld van de Harlingers, ook al konden ze nog zo goed kaatsen. De "groate freet' van de Harlingers bracht hun volledig uit hun concentratie. Op zulke avonden werd er veel gelachen. Veel meer dan de hedendaagse mens het doet.

 .... kaatsen op 'e Lanen

 
Harlingen in 1970
 
Veel honden liepen nog los, honden van het gemengde ras                                 
Voor de jeugd was nog speelruimte                                                       
Harlingers hadden nog 'kienders' en geen kindje                                              
Als de avondvierdaagse werd gelopen werd er nog bij gezongen                                                                                                        
En echte Harlingers "skaamden sich" nog niet voor hun dialect                  
Televisie leek nog niet op het dagelijks leven en de mensen leken nog niet op de televisie.
 
BONKEN OP UT IIS.
 

We leve in een saaie tied.  We roepe wel bij alles wanhopig dat ut “spannend” is maar ut avontuur gaat steeds meer uut ut leven weg. We soeke steeds meer ons gemak maar we krije ut steeds drukker.  We hope allemaal dat de Elfstedentocht dit jaar deurgaat maar de laatste echte Elfstedentocht was in 1963.

Reinier Paping het ut toen wonnen maar hij was natuurlijk niet de echte held. Nee dat waren de meensen in de achterhoede. In de namiddag pas kwamen se deur Harlingen en Franeker. In Harlingen ston ut wrede skippersvolk langs de Suud Oastersingel. “Bonken op ut iis” riepen se in koor. Se wuuden ongelukken en  dooien sien.  Vannuut Franeker gingen je dan, ut was al lang donker, de groate vlakte op naar Bartlehiem. De rieders waren moe en ut iis was slecht en je ogen waren half bevroren. Hemel en Aarde konnen je niet meer onderskeide en je waren alleen. Wat leit daar voor donkers op ut iis?? Een omvallen elfstedenrieder?? Nee ut was een half sonken roeiboatsje. Su gingen je verder stroffelend en de skeuren in ut iis ontwiekend. Moe waren je en dan werden je dan op ut laatst oek wel us  wat mankeliek want Bartlehiem lei  ver weg. En dan sagen je voor je die skippers in Harlingen weer. “Bonken op ut iis” riepen se.  

As je nou met de Elfstedentocht metdoen  hew je een mijnwerkerslampje op je muts en je mobieltje staat an. En as je in Staveren gien nocht meer hewwe stap je op de trein naar Leeuwarden. Nee spannend wurdt ut nooit meer ,de Elfstedentocht.