HARLINGEN, DE GESCHIEDENIS VAN DE KOOLTEERDISTILLEERDERIJ ''PERSEVERANTIA''  

PERSEVERANTIA aan de Trekvaart

 

Wie met zijn auto over de Almenumerweg van het ene viaduct naar het andere snelt zal weinig oog hebben voor het roodstenen gebouw wat zich, op de hoogte van de Oude Trekweg, op een tiental meters afstand van de weg bevindt. Wie de moeite neemt om voor het huis langs te lopen zal een naam op de voorgevel ontwaren. "Perseverantia" staat er. Wat betekent volharding. Bewoners van de Trekweg weten dat hier zich honderd jaar geleden op het terrein achter dit huis de teerfabriek bevond. Op de plaats waar nu de gebouwen van visbedrijf Velza staan werd van 1895 tot 1901 koolteer gedistilleerd. Koolteer was een restproduct van de gasfabrieken.     

 Waarom deze fabriek nu juist bij Harlingen werd gebouwd kwam voornamelijk omdat de grondlegger van dit bedrijf in Harlingen geboren was. Het was Thomas Smit (1839 - 1908).  In 1869 vestigde hij zich in Amsterdam waar hij al drie jaar procuratiehouder was bij de Maatschappij voor Chemische Industrie te Amsterdam. Dit was een koolteer verwerkend bedrijf. De koolteerindustrie in België en Engeland was toen al veel machtiger dan de paar Nederlandse koolteerverwerkende bedrijven die er in die tijd waren. De producten die uit de koolteer werden gemaakt waren koolteerpek, anthraceen, naftaline,benzol, creosoot, carbolzuur,fenol en toluol. Omdat de vraag naar koolteer in Noordwest-Europa groter werd dan de gasfabrieken in totaal produceerden bepaalden de laatstgenoemden hoe hoog de prijs was. Om de prijs te kunnen drukken vormden de gezamenlijke koolteerbedrijven in Engeland en België in 1890 het zogenaamde teerkartel.De buitenlandse bedrijven verdeelden nu onder elkaar de teerproductie van de grote gasfabrieken in Noordwest-Europa. Zij bepaalden nu wat zij wilden betalen voor de koolteer van de gasfabrieken.  Deze laatste werden nu praktisch geheel afhankelijk van de productiecapaciteit van de in het kartel verenigde koolteerfabrieken. De Maatschappij voor Chemische Industrie in Amsterdam had zich, evenals de andere Nederlandse koolteerbedrijven, bij het kartel aangesloten. 


Een
stoker onderhoudt het vuur onder één van de distilleerketels. Bij Perseverantia had men drie van deze ketels in gebruik die elk 20 ton koolteer konden bevatten. 

Thomas Smit, nog steeds werkzaam in Amsterdam, moest nu toezien hoe éénderde van de in Nederland geproduceerde koolteer naar Belgische fabrieken ging. Zijn eigen bedrijf moest hierdoor inkrimpen en een ander Nederlands koolteerbedrijf zag zich gedwongen zijn productie te staken.   Thomas Smit wordt omschreven als iemand met een levendig en tot ondernemen geneigd karakter. Het was deze man die een grote rol ging spelen bij het doorbreken van het teerkartel.  Hij nam ontslag in Amsterdam en ging weer terug naar Harlingen. Hij wilde daar een koolteerfabriek oprichten zodat de gasfabrieken in Nederland niet meer afhankelijk zouden zijn van het teerkartel. Harlingen was toen nog de tweede stad van Friesland. Een stad waar een sterke ondernemersgeest heerste.  Mede door de in die tijd opgaande economie wist Thomas Smit een groot aantal Harlinger ondernemers en geldschieters zover te krijgen om 500.000 gulden in deze onderneming te steken. De man moet overtuigingskracht hebben gehad. Leden van de  bekende Harlinger ondernemers familie Fontein investeerden gezamenlijk 62000 gulden in de onderneming.  Maar ook van buiten Harlingen kwam kapitaal. De handelsfirma Merrem en la Porte uit Amsterdam stak 10000 gulden in het nieuwe bedrijf. Thomas Smit deed zelf voor 4000 gulden mee. De bouw van de nieuwe koolteerfabriek in Harlingen kon beginnen. De naam van de nieuwe onderneming werd "N.V. Koolteerdistilleerderij Perseverantia".


Een
tankwagon van de Staatsspoorwegen zoals die in 1895 in gebruik waren. De inhoud van de rechthoekige tank op deze wagon was 10000 liter. Met deze wagons werd bij Perseverantia de koolteer aangevoerd. 

Voor de producten die het bedrijf uit de koolteer maakte werden rond 1890 redelijke tot zeer goede prijzen betaald. Vooral naftaline en carbolzuur waren duur. De prijs van carbolzuur had zijn piek bereikt gedurende de Krimoorlog ( 1855 - '56). Het werd gebruikt als desinfecterend middel. Het aantal soldaten dat in de vorige eeuw aan wondinfectie overleed overtrof vaak het aantal gesneuvelden op het slagveld. Door het gebruik van carbolzuur in de veldhospitalen werden nu vele levens gered.  

Er was aan het einde van de negentiende eeuw nog geen echte millieuwetgeving hetgeen overigens niet betekende dat men maar overal een fabriek mocht bouwen en in bedrijf mocht stellen. Volgens een wet uit 1875 moest er o.a. gelegenheid gegeven worden aan de bewoners en de gebruikers van de naastliggende percelen om bezwaren in te brengen voordat de gemeente vergunning voor de inwerkingstelling van de fabriek kon geven.  Het is niet bekend of er ook bezwaren van de omwonenden waren. Overtuigend zijn ze in ieder geval niet geweest. De directeur van Perseverantia, W.A.C. Fontein moest een aantal vragen van de gemeente betreffende de hoogte van de fabriekschoorstenen en het gebruik van het slootwater beantwoorden. Men was beducht voor vervuilde  sloten. Het vee kon ziek worden. Tevens vroeg de gemeente inlichtingen over de afvoer van de rookgassen.  In het antwoord van Fontein vinden we o.a. het volgende over de fabrieksschoorstenen. Deze kregen de minimaal voorgeschreven hoogte van twaalf meter. Over het gebruik van het water schreef hij dat dit alleen als koelwater gebruikt zal worden en net zo schoon de fabriek weer zal verlaten als het erin komt. Vragen betreffende de chemische stoffen die het bedrijf zal produceren en hoe men wilde voorkomen dat deze niet in de grond zullen komen stelt de gemeente niet.  Men verleent de vergunning en de eerste, en tot nu toe laatste, chemische fabriek bij Harlingen kon gebouwd worden. Er verrees tussen de Trekvaart en de spoorlijn Harlingen - Leeuwarden bij de Koningsbuurt(Een uitbuurt van Harlingen) een indrukwekkend complex gebouwen waarin de distilleerinstallatie werd ondergebracht. Stoom, elektriciteit en een eigen watertoren behoorden allemaal tot de uitrusting van de nieuwe fabriek.
  


Deze mannen en die twee vrouwen rechts werkten bij Perseverantia


In oktober
1895 ging de productie bij Perseverantia van start. Op het fabrieksterrein lag een aftakking van het spoor Harlingen-Leeuwarden en hierover rolden de ketelwagens, ieder gevuld met 10 ton koolteer, het fabrieksterrein op. De inhoud van deze wagons werd gelost in de teerput. Dit was een gemetselde bak. Nadat de koolteer van ammoniakwater was gescheiden werd het opgepompt naar het distillatiegebouw waarin zes grote distilleerketels stonden die elk 20 ton teer konden bevatten.  Tegen dit gebouw waren drie schoorstenen gebouwd. Zes meter ervandaan stond het ketelhuis waar de stoom werd opgewekt om de werktuigen in de fabriek aan te drijven. Ernaast stond een schoorsteen.  Op het fabrieksterrein stond nog  een klein distillatiegebouw waarbij nog een vijfde schoorsteen stond. Verder was er nog een aantal tanks voor de opslag van de eindproducten. De teeroliën die uit de koolteer werden gedistilleerd werden in de verschillende gebouwen op het fabrieksterrein gekoeld, gewassen, geperst, weer  gedistilleerd en gerectificeerd tot men de volgende producten overhield.  Deze waren benzol en naftaline, welke werden verkocht aan kleurstoffenfabrieken. Verder carbolzuur, creoline en anthraceenolie.  De laatste twee werden toegepast bij de houtveredeling. Was de koolteer eenmaal goed uitgekookt dan had het de helft van zijn gewicht verloren. Wat er achterbleef in de distilleerketels was pek. Dit liet men in de pekput lopen. Daar koelde het af en stolde. Het werd later losgeslagen en tot gruis gemaakt. Dit werd gebruikt als bindmiddel bij het maken van briketten.           

Voor de Koningsbuurt brak een nieuwe tijd aan. Dit industriële buurtje waar men al eeuwenlang stenen en dakpannen bakte en op de afgetichelde landen eromheen koeien en schapen liet grazen werd in 1895 de nieuwe koolteerfabriek gebouwd. Voor een aantal betekende het vast werk. Voor anderen een bron van overlast toen bij de start van de productie van de fabriek de nadelige kanten van een negentiende eeuwse chemische fabriek zich manifesteerden.  Een beschrijving van wat er bijvoorbeeld fout kon gaan bij het leeg laten lopen van de distilleerketels nà de distillatie, als er alleen nog maar pek in de ketel zat wordt gegeven door D. de Vries. Hij is in 1890 in de Koningsbuurt geboren en kwam gedurende zijn lagere schooltijd vier keer daags langs de fabriek. Het verhaal gaat als volgt:

Voor de  fabriekshal was een rechthoekige gemetselde bak plusminus 50 a 60 cm diep. Hierin stroomde uit de fabriekshal vloeibare pek, die vermoedelijk door onkunde van de bewerkers af en toe onder de toegangsdeuren( van het fabrieksterrein) doorstroomde over het voetpad en zo in het water(Trekvaart) liep. De afschuwelijke gele dikke rook, die met het pek tevoorschijn kwam was voor de bewoners van de omgeving iets verschrikkelijks en klacht op klacht ging dan ook naar het gemeentebestuur.        (Uit: Tijdschrift der Nederlandse Maatschappij ter bevordering voor Nijverheid)

 Maar klachten of geen klachten de fabriek werkte door. Perseverantia ging met zijn eigen producten de markt op. Eén daarvan was "Carbolineum Perseverantia" . Het werd geleverd in de kleur van notenhout in vaten van 200 kilogram. Het aanvankelijke optimisme, kenmerkend voor iedere startende onderneming, zal al spoedig plaats hebben gemaakt voor grote bezorgdheid bij de aandeelhouders. De lucratieve koolteermarkt in Nederland was door de komst van Perseverantia verandert in een strijdperk waar hard werd gevochten om de nu schaarse grondstof. Weliswaar werd de invloed van het teerkartel in Nederland in die jaren doorbroken maar de produtiecapaiteit in Nederland was te groot geworden. Na al en paar keer stilgelegd te zijn moest het jonge bedrijf in 1901 zijn activiteiten staken. In 1902 werden alle machines, gebouwen en transportmateriaal verkocht. De gehele distillatieapparatuur werd overgenomen door de Utrechtse Asfaltfabriek. Tot dan toe had dit bedrijf zich,,met wisselend succes bezig gehouden met het fabriceren van asfaltpapier maar nu wilde men ook koolteer gaan distilleren. De distilleerbaas van Perseverantia, genaamd Koot(Miedema), werd overgehaald om naar Utrecht te komen en daar zijn werk voort te zetten. De bedrijfsgebouwen van Perseverantia werden gesloopt en alleen het administratiegebouw, tevens directeurswoning bleef staan. Het staat er nog steeds als een stille getuige van een zakelijk avontuur dat Perseverantia heette.
(Voor dit verhaal heb ik gegevens gebruikt uit het boek "De markt als Spiegel", geschreven door Joh. de Vries)   


De voormalige directiewoning annex administratiegebouw van Perseverantia staat er nog met erachter het vervuilde fabrieksterrein. 


Bovenstaand kaartje is ter ondersteuning voor de hierna volgende verhaaltjes. Het is een kaartje van de toestand aan de Sudergracht rond 1870. Op dit kaartje staat in de Steenhouwersstraat een aftakking aangegeven van het spoor. Ik weet niet of dat laatste er ooit echt geweest is 

En
dit is dan hetzelfde gebied wat boven op het kaartje staat. Linksboven de Zuiderhaven en onderaan de Sudergracht. Deze foto is in 1924 gemaakt.

DE SUUDERGRACHT


Een foto van de Sudergracht gemaakt in 1953. Links het balklandsbrugje.

De Zuidergracht, Sudergracht voor Harlingers. Het was een deel van de stadsgracht die samen met het bolwerk rond 1600 werden aangelegd als verdedigingswerk voor de stad tijdens de tachtigjarige oorlog. Meer als tweehonderd jaar was de Zuidergracht, net als de hele stadsgracht domein van de balkvlotters. Het waren de mannen die de in de Harlinger haven aangevoerde boomstammen uit Scandinavië tot vlotten bonden en deze via de Rozengracht naar de stadsgracht en het Balkland brachten. Het Balkland was een stuk land gelegen aan de Sudergracht. Het kon onder water gezet worden. Daar in de grachten en het Balkland lagen de balken dan tot er genoeg water in was getrokken. Dan konden ze verzaagd worden in de houtzaagmolens aan de Bolswardervaart.  In de winter kwamen ook de Harlinger binnenschippers met hun skûtsjes en aken naar de stad en overwinterden ze in de stadsgracht. 
    


   Balkvlotters aan het werk in de Zuiderhaven.omstreeks 1900

Aan het eind van de negentiende eeuw begon men in de Scandinavische landen zelf ook hout te zagen en werden de zagerijen daar, en de eerste stoomzagerijen in ons eigen land, de concurrenten van de Harlinger molens. In de eerste twintig jaar van de twintigste eeuw ging er steeds meer vervoer over de weg met vrachtautos en zo kreeg de binnenschipperij het ook moeilijk.  De economische crisis in de jaren dertig kwam over ons land. Stuk voor stuk werden de prachtige molens  aan de Bolswardervaart stopgezet en uiteindelijk afgebroken. Hun tijd was voorbij.  En ook de tijd van de zeilende binnenvaart was geweest.  In de grachten rond de Friese steden en de vaarten van het Friese platteland stierf de kleine Friese binnenvaart. Over de vijftiger jaren kan ik uit eigen ervaring verslag doen. Het Balkland was opgehoogd en diende als voetbalveld. In de gracht lagen nog veel van de oude binnencheepjes. Maar niet op alle woonde nog schippersvolk. "Warber folk" was het die Friese binnenschippers.  Velen hadden werk gevonden in de haven of elders in de stad. Ze gingen in huizen wonen. Ze verhuurden hun scheepjes soms aan fabrieken als opslagruimte  of lieten hun tot woanskip verbouwde scheepjes in de gracht liggen. Daar gingen de mensen wonen die een huis niet konden betalen of waar eenvoudig geen woning voor was. Tot halverwege de jaren vijftig,toen in Harlingen de sociale woningbouw op volle kracht begon te draaien, woonden nog veel Harlingers in oude kleine huisjes in de binnenstad waar het bordje met "Onbewoonbaar Verklaard" al op was getimmerd.  De mensen die in de woanboatsjes woonden noemde men Skipkefolk.  Op een dag in het voorjaar, ik was een jaar of vijf,zes, liep ik samen met mijn broer langs de Sudergracht. Nieuwsgierig kijkend naar de woonschepen bemerkten we niet direkt dat achter ons een jongen en een meisje kwamen. "Wat mut dat hier?" riep de jongen. Opeens stond hij voor ons. Hij was ouder dan ons en stond met een grimmig gezicht naar ons te kijken. Hij en een mager meisje zagen er onverzorgd uit. Blote voeten in goedkope plasticsandalen. Het meisje met haar verfomfaaide jurk kwam op mij af en spuugde op mijn trui die mijn beppe gebreid had. Toen ik me later beklaagde bij mijn moeder zei ze dat we daar beter niet konden komen. En later over deze kinderen: Suteriche bêrn die hun gerak net hawn hawwe. 



De Sudergracht in 1995. De goederentrein met de V.A.M wagons staat op het punt te vertrekken.

In de winter van 1963 was het druk bij het balklandsbrugje, de toegang naar de Sudergracht. Het ijs van de Bolswardervaart was bevroren en onder ons door reden de vermoeide schaatsers die meededen aan de zwaarste elfstedentocht die er ooit was geweest. Op de zondagmiddagen kraakte dit brugje onder het voetbalpubliek wat naar een wedstrijd was geweest van voetbalvereniging Harlingen. De meesten gingen dan naar huis. Maar "dur waren oek  goedzen die nog naar ut cafe gingen". Voor "een potje bier" naar Appie Bambach of cafe Populair. Acht uur moest je trouwens wel thuis zijn want dan begon "Sport in beeld" op televisie met nog veel meer voetbal.       

Voor de bouw van de vuiloverslag van de V.A.M. werd in 1965 een deel van de Sudergracht gedempt. In het stuk wat nog over is liggen nog altijd woonboten. Niet meer omdat de bewoners geen huis kunnen betalen. Maar misschien wel omdat dit één van de meest rustieke plekjes van de stad is.



De Sudergracht tegenwoordig. Een paradieske voor mens en dier.


DE SPINHUISSTRAAT en het WASBLEEKPLEIN


Waar de spinhuisstraat overgaat naar het Wasbleekplein staat nog altijd een houtschuur. Het hoort bij de timmerfabriek van Siepie Hoek die tussen het Wasbleekplein en de Rozengracht is gevestigd. Duizenden 'ierappelbaken' voor de boeren uit de omgeving van Harlingen zijn hier gemaakt. En als een boer een 'nije hikke' nodig had dan werden ze hier ook gemaakt. En nog steeds 'wurdt dur timmert aan de Roasegracht'. Het is het laatste industriële bedrijf in de oude binnenstad. Het hoogste deel van het pakhuis is gebouwd nadat in de dertiger een deel van het oude is afgebrand. Het oudere gedeelte is in ieder geval negentiendëeeuws en hoorde bij de toen hier gevestigde panbakkerij van Tjallingi. 

In de zomer van 2004 toen ik via de Spinhuisstraat naar het Wasbleekplein (achter de Nieuwe Weme) wandelde zag ik dat één van de oude huisjes daar was gesloopt. Het was een bouwval maar werd nog gebruikt als opslag voor tweedehands goederen. Ik kreeg hierdoor de gelegenheid om een foto te maken van de achterliggende tuin. Deze tuin hoort bij de twee tot woonhuis verbouwde 'skuren'.  In de negentiende eeuw hoorden ook deze schuren bij de genoemde panbakkerij.


En dan hierboven een foto uit 1928 van het Wasbleekplein en in het verlengde de Spinstraat. Rechts de kleine huisjes die oorspronkelijk ook bij de panbakkerij hoorden. Zo woonden de Harlingers toen. In het midden het pakhuis van Hoek waarin toen een zeepfabriekje was gevestigd. In dit fabriekje is in de dertiger jaren brand geweest waardoor een deel van de oude schuur is verbrand. Eigenlijk is dit een heel dramatische foto. Links zien we de ingang van de Wasbleek. Het was een oud hofje wat afgebroken zou worden wegens bouwvalligheid. De laatste bewoners wilden er echter niet uit.  

In 1928, in de zomer neem ik aan, werden de laatste bewoners er met enige dwang uitgezet. Op de uitvergroting van de foto, hierboven, zien we de uit hun huis gezette mensen zitten met hun meubilair. Eén van de vrouwen met de handen aan het hoofd. "Wat mut dur van ons wurde buufre?" zie je haar zeggen. Midden op de uitvergroting de blinde gevel van de Nieuwe Buren. Links daarvan is nog net de voorgevel van de oude spinnerij van de Zaklinnenfabriek te zien. In 1928 in gebruik als aardappelopslag voor Braaksma en Bruinsma. Door deze straatjes klosten honderdvijftig jaar geleden op hun klompen 's morgens vroeg de spinsters, de wevers en de rest van het talrijke werkvolk van de Zaklinnenfabriek.  Hier ligt echte Harlinger historie.

KLAVERBLADSTRAAT



Het boerderijtje van Bonnema gefotografeerd door een onbekende in de dertiger jaren? Rechts de deur en een raam van één van de huizen die in het oorspronkelijke gebouw zaten. De hogere deur en  raam zijn in 1875 op de plaats gekomen waar de oorspronkelijke schuurdeur zat. Zoals veel huizen in die tijd was de muur witgeschilderd met kalk en de onderste rand was met teer zwart gemaakt.

Wie in de vijftiger jaren van de vorige eeuw door de achterstraatjes van de Harlinger binnenstad wandelde, kon taferelen als op bovenstaande foto aantreffen. Dichtgespijkerde huizen en slechts hier en daar nog een bewoond pand. Velen daarvan waren in de negentiende eeuw gebouwd om de groeiende stadsbevolking te huisvesten. Tussen deze oude huizen trof men soms een gebouw aan dat niet gebouwd was als woonhuis. Zoals het gebouw op bovenstaande foto. Het stond op de hoek Weverstraat-Vetsmeltersstraat.  De Vetsmeltersstraat heette in de negentiende eeuw nog Klaverbladstraat. Op kaart 1 is de situatie getekend zoals het in 1857 was. Voor de oriëntatie. De kleurenfoto onder de kaartjes toont dezelfde plaats in 2004. Op de achtergrond ziet men het oude directeurshuis van de voormalige gafabriek. (Tandarts Venema woont er tegenwoordig)


Zo rond 1830 was een groot deel van het gebied tussen de Weverstraat, de Zuid-Oost Singel en de Kerkpoortstraat onbebouwd. Of dit een direkt gevolg was van de economische achteruitgang van Harlingen gedurende de tweede helft van de achttiende eeuw en daaropvolgend de Franse tijd, is moeilijk aan te geven. Feit is dat op oude kaarten van de Harlingen uit de zeventiende en achttiende eeuw wel bebouwing stond aangegeven. Het perceel kadastraal bekend Sectie A nummer 881 huis en tuin groot Vier roeden was voor het grootste deel onbebouwd. Dit was het gebied Zuid-Oostelijk van de kruising van de Weverstraat en de Klaverbladstraat zoals aangegeven op kaart1.  In het huis wat op dit perceel stond woonde in 1830 Bartholomeus Bambach. Hij was zoutwerker en zijn vader was in 1786 in Gladzau geboren. Misschien werkte hij in één van de zoutketen aan het Franekereind. Die van Tjallingi of Fontein. In 1857 werd het perceel door zijn erfgenamen verkocht aan een timmerman, die het in 1862 doorverkocht aan Bernardus Bonnema. Deze Bernardus Bonnema was melktapper. Hij had zoals dat gewoon was in die tijd zelf waarschijnlijk een paar koeien. In 1863 verrees op de hoek Weverstraat-Klaverbladstraat een gebouw dat nog het meest deed denken aan eeen West-Friese stolpboerderij. Onder het piramidevormig dak bevonden zich naast een schuur ook nog twee woningen. (Zie kaart 2) Bernardus was misschien ook wel huisjesmelker. Hij was geboren in 1801 en stierf op 1 maart 1880 als weduwnaar. Hij was in 1837 getrouwd met Pyttje Jozephs Spoelstra. Zij overleed op 22 februari 1860. Zij was toen 45 jaar oud. Dat wat betreft de genealogie.  

Het oude huis van Bambach werd via een deur in de tussenmuur verbonden met het boerderijtje. Wellicht woonde Bonnema in dit huis. Maar daar bleef het niet bij. De bevolking van Harlingen groeide weer en er was vraag naar woningen.  In 1864 stonden er behalve het boerderijtje nog zes nieuwe woningen op het perceel. (Zie kaart 3) Ook op het perceel Zuidwestelijk van de kruising waren inmiddels vijf nieuwe woningen gebouwd. In 1867 werd het hele perceel van Bonnema per opbod verkocht. In 1875 heeft de nieuwe eigenaar in Bonnema's boerderijtje acht nieuwe woningen gemaakt.(Zie kaart 4) Alle verschillend in oppervlakte. Het grootste was vierentwintig centiaren en het kleinste zestien centiaren. Dat is vier bij vier meter. Kleine éénkamer- huizen waren het. Als je ruzie had met je huisgenoten en de deur achter je dichtsloeg stond je buiten. Om toch onderdak te hebben ging je dan maar één halen.(jenever) De Klaverbladstraat was een volksbuurt geworden. Pa en Moeke gingen 's morgens werken en wat nog niet werken kon ging naar de "kiepeskoal" ( er waren aan het eind van de negentiende eeuw in Harlingen wel 17 van deze ''skoaltsjes" . ) En voor de boodschappen waren ze aangewezen op winkels als die van Kramer aan het Franekereind(Een oud zoutpakhuis) 


De situatie op de hoek van de Weversstraat en de Vetsmeltersstraat tegenwoordig.

In 1888 werden de woningen in het boerderijtje verkocht aan de Nederlands Hervormde Diaconie. Rond 1880 stagneerde de bevolkingsgroei van Harlingen en het aantal inwoners bleef ongeveer gelijk tot na de tweede wereldoorlog. Na de eeuwwisselling begon in Harlingen de eerste sociale woningbouw op gang te komen en de nieuwe grotere woningen hadden natuurlijk meer aantrekkingskracht dan de vele éénkamerwonngen in de stad zoals die in het boerderijtje van Bonnema. Aan de overzijde was inmiddels de vetsmelterij van Smeding gebouwd en deze kocht in 1922 het oude boerderijtje en gebruikte het als pakhuis. Dat deel van de Klaverbladstraat waaraan de vetsmelterij stond kreeg als naam Vetsmelterstraat.


Links een foto van de Vetsmelterstraat genomen vanuit Smedings vetsmelterij. Eén van de huisjes is al gesloopt. Linksboven op de foto zie je het dak van Bonnema's boerderijtje.   Op de rechtse foto staat de noordelijke gevelrij van het west-oost gelegen deel van de Klaverbladstraat dat de naam Klaverbladstraat behield(zie kaart1)  Links op de foto de zijgevel van Klaverbladstraat 19. Rechts Klaverbladstraat 21.  Dit leegstaande pand werd door Borsch gebruikt als koelng voor hun vis. Zij verkochten die vis in de kraam op de Turfkade.

In het begin van de jaren zestig is het boerderijtje gesloopt. Wat er nog restte aan bebouwing van de KLaverbladstraat(Inmiddels Vetsmeltersstraat) ging in 1980 tegen de vlakte en maakte plaats voor huizen van het nieuwe plan Almenum.


Nog een foto van de Klaverbladstraat vanuit het Oosten gezien.


DE BEWONERS


Eén van de bewoners in de twintiger jaren van de Weverstraat was Hotse Schuil . Op bovenstaande foto staat Schuil met twee zoons voor één van de oude wevershuizen in de Weverstraat. Rechts staat jonge Hotze.  "Ut jonkje hat nocht aan kaatsen". Schuil werkte op de haven. Hij  moest in het Dok met een groep arbeiders de kolenboten uit Engeland leegscheppen. Transportarbeider heette het officieel en"ut skient dat se lid waren van de mijnwerkersvakbond".  Dat was in de tijd voordat de stoomkranen dit werk overnamen in 1931. 

Hotse Skuul verteld in het boek wat Hylke Speerstra over hem schreef, Koning op Sokken. over dit buurtje:

Dur woande tegenover ons in de Weverstraat een vrou die hat een winkeltsje onder haar skelk. In de tied dat de Afsluutdiek anleit werd waren veul mannen die daaraan werkten heur klanten. Maar disse mannen vielen oek mien oudere susters lastig. Daarom binne we toen verhuust naar de één van de huuskes in de Klaverbladstraat. Daar was ut beter. 



Nog meer bewoners van de Weverstraat voor de oude "wevershuuskes"