DE KATOENSPINNERIJ AAN DE ZUIDERHAVEN 
 
Ik heb in onderstaand verhaal gebruik gemaakt van een artikel dat staat in een nummer van de TUBANTIA uit 1924. Een oude Tukker vertelt daarin hoe hij als zevenjarige in een katoenspinnerij ging werken rond 1840. Tevens beschrijft hij de verwerking van de katoen in zo'n fabriek en de machines die ervoor gebruikt werden.


Eén van de oude wevershuizen in de Hofstraat.

In de achttiende eeuw kwamen over de smalle paden door de veenmoerassen van Oost-Groningen en Drente vanuit Westfalen iedere zomer de weversknechten naar Harlingen. Ze gingen werken bij de Harlinger weversbazen. Veel van de weversbazen waren zelf ook afkomstig uit de Duitse grensstreek en hadden hier een vast bestaan opgebouwd. Harlingen was in de achttiende eeuw bekend door zijn van linnen geweven Harlinger Kanefas(kanvas,zeildoek) en de Friese Bonten zoals bombazijnen. Deze laatste werden geweven van linnen en katoen. Hoeveel weeftoestellen er in de achttiende eeuw in de Harlinger weefwinkels in werking waren is niet bekend. Negentiende eeuwse bronnen spreken over duizend en meer. Een groot aantal op een bevolking van nog geen achtduizend inwoners. Veel wevers woonden, vaak huis aan huis, in de straten rond de Grote Kerk en ten noorden van de Zoutsloot. Om de hoeveelheid garen te spinnen die een wever op één dag verbruikte was de dagproductie van minstens vijf spinners nodig. Geen wonder dat in de winter als het meeste buitenwerk werd gestaakt al wat kon spinnen zoals vrouwen, kinderen, bejaarden, wezen en armhuisbewoners achter het spinnewiel doorbrachten zodat de wevers in de zomer weer met voldoende garens aan de slag konden.  Alleen volwassen mannen ontrokken zich liever aan dit werk.


Deel van de kadastrale kaart uit 1830. Roodgekleurde gebouw beneden is de fabriek van Böhmers. Ook aan de Brouwersgracht(nu Brouwersstraat) stond een katoenspinnerij Die was van Telsemeyer.                                                

Na de Franse tijd heerste er armoede in ons land. Een paar eeuwen had Nederland van de internationale handel geleefd. Maar de wereldhandel was door de Engelsen overgenomen.  In tegenstelling tot andere West-Europese landen werd hier niet geïnvesteerd in industrialisatie. Nederlanders die geld hadden bleven erop zitten, wachtend op de terugkeer van oude tijden. Maar oude tijden komen nooit terug en gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw bleef de economie hier 'kwijnend'.  Wie geen geld of bezittingen had moest lange dagen  werken in kleine familiebedrijven die een vaste klantenkring hadden. Uitbreiding van de productie vond men niet belangrijk en plaatste men al eens een advertentie dan was de meest wervende tekst die men kon bedenken "Te koop bij het vanouds bekende adres".  Vanaf 1831 braken er in ons land meerdere malen choleraepidemiën uit. De ergste in 1848 en 1855. De ziekte maakte de meeste slachtoffers in plaatsen waar mensen als drinkwater grondwater gebruikten.  In de negentiende eeuw was voor  de meeste mensen het hoofdvoedsel aardappels. Toen in 1847 de oude aardappels op waren en door schimmelziekten de oogst van de nieuwe aardappels mislukte begon het volk in Harlingen te muiten.  Het was in deze tijd van ziekte,armoede en oproer dat de Duitser Wilhelm Böhmers, afkomstig uit Wattenscheid bij Essen, aan de zuidzijde van de Zuiderhaven (waar Dukdalf stond) een woonhuis met een naastgelegen pakhuis kocht.  Hierin begon hij in 1823 een katoenspinnerij. De textielindustrie was toen in Harlingen al over zijn hoogtepunt heen. De Friesche Bonten waren al vòòr de Franse tijd grotendeels van de markt verdrongen door de Elberfeldische Bonten. Deze werden in Twente en Westfalen gemaakt.

            
 De Spinning Jenny ontketende een revolutie in de katoenindustrie.

zie ook: www.cottontown.org/page.cfm?pageID=506

In het Engelse Blackburn werd door James Hardgraves in de achttiende eeuw een katoenspinmachine uitgevonden waarmee één man op één dag meer katoen tot garens kon spinnen dan een handspinner met zijn spinnewieltje in één week kon doen. Hij noemde het apparaat "spinning jenny" naar zijn immer spinnende dochter Jenny. Hij had er voor de verkoop nog een paar meer gebouwd in zijn werkschuurtje. Toen de machines gereed waren kwamen zijn buren ernaar kijken en sloegen de nieuwe apparaten aan stukken. Het waren allemaal spinners die bang waren door deze spinmachines hun broodwinning kwijt te raken. Toch konden dit soort acties niet voorkomen dat aan het einde van de achttiende eeuw de Spinning-Jenny in het huis van elke Engelse katoenspinner stond. De katoenproductie in Brits India en de Verenigde Staten werd opgevoerd en alles werd verscheept naar Engeland. Daar werd het in de door steenkolen gestookte stoommachines aangedreven katoenfabrieken verwerkt tot 'katoentjes'.  De steenkolenmijnbouw en de katoenindustrie gingen hand in hand en zouden Engeland in de negentiende eeuw tot het machtigste land ter wereld maken. De voorkeur van de Europeanen ging in de negentiende eeuw meer uit naar de steeds meer voor handen  zijnde katoenen kleding in plaats van de stugge linnen kleding. De Europese weverijen kochten hun katoengaren bij de machtige Engelse katoenfabrieken. Ook balen ruwe katoen werden uit havens als Liverpool  doorgevoerd naar de Europese landen. De Nederlandse regering wilde de katoenspinnerij in ons land stimuleren. Daarom werd in 1822 het 'ínkomend recht op vreemde garens'(invoerheffing) door de regering verhoogd van 20 gulden naar 40 gulden per 100 pond Engelse garen. Daarmee was het zo hoog gekomen dat Nederlandse spinnerijen konden concurreren met de Engelse. Dit betrof de ruwere soorten garens want de fijnere soorten kon men in ons land nog niet maken. Mensen als Wilhelm Böhmers kregen nu een kans met hun handaangedreven spinmachines. Deze machines werden overigens ook wel door honden aangedreven. Het zwaartepunt van de Nederlandse textielindustrie lag na de afscheiding van België in 1830 in Twente.  Harlingen was, naast  Amsterdam en Rotterdam, gedurende de gehele negentiende eeuw één van de aanvoerhavens van garens en ruwe katoen uit Engeland bestemd voor Twente. De balen katoen voor Böhmers konden voor de deur op de Zuiderhaven gelost worden.

Over het werkvolk dat in de katoenfabriek werkte kunnen we ons slechts een voorstelling maken. Er werkten tachtig mensen. Men werkte in die tijd vanaf zijn zevende jaar tot men te oud en versleten was om te werken. De armoede, werkloosheid en het eenzijdige voedsel zullen invloed op hun voorkomen hebben gehad en zal de mensen harder en minder volgzaam gemaakt hebben. Een ruw stel dus. Waarschijnlijk is dat Böhmers zijn personeel uit de werkloze textielwerkers heeft gerekruteerd.  De directe leiding, zoals dat gewoon was, liet hij over aan een fabrieksbaas. Het enige wat van hem gevraagd werd dat hij overwicht had op de werkers. Geen mensen die populair werden die bazen. Hun blaffende bevelen galmen nog altijd door in de Harlinger humor van vandaag. Als een Harlinger je wat grimmig toeblaft "Suust noch us wat doen?" dan kan dat als humor bedoeld zijn. De werktijden waren in zulke fabrieken meestal van zeven uur 's morgens tot acht uur 's avonds met een middagpauze van twaalf tot één. Deze tijden golden voor jong en oud.  Door de dreigende verpaupering van de bevolking, als gevolg van de armoede en werkloosheid in die tijd, werden er in Harlingen net als in zovele andere plaatsen aarzelende pogingen ondernomen om de vele kinderen die in de fabrieken werkten enig onderwijs te geven tijdens of na het werk. De armenschool heette dat in Harlingen. Er werd iemand aangesteld om de jeugd een beetje rekenen te leren en wat aap noot mies. Het stelde niet zoveel voor. De lessen duurden meestal niet langer dan een half uur. Of men in  de fabriek van Böhmers het hele jaar doorwerkte is de vraag.  In de negentiende eeuw kende het leven van de gewone fabrieksarbeider een aantal hoogtepunten en dan werden de bedrijven stilgelegd. Eén ervan was de juni-kermis. Dan was het feest. Voor de negentiende eeuwse Harlinger, voor wie het leven altijd onzeker bleef, waren zulke weken belangrijk.  Zozeer zelfs dat na het aardappeloproer in 1847 het gemeentebestuur de kermis niet durfde te verbieden. Ondanks het samenscholingsverbod dat er die zomer in de stad gold.


Ook vrouwen werkten met de spinning jenny

Het productieproces in zo'n katoenspinnerij begon ermee dat een baal katoen naar de zolderverdieping van de fabriek werd gehesen. Daar werden de touwen eraf gehaald en een hoeveelheid katoen werd er uitgeplukt. Dit werd dan door de 'wolf' gedraaid. Een wolf was een grote houten wals voorzien van ijzeren pinnen die was gedekt met een kap die eveneens  van pinnen was voorzien. Hij werd door één man met een handwiel aangedreven. Als de katoen aan de onderkant uit de wolf kwam leek het op dons. Daarna werd het op zolder gewassen met Bristolsche zeepsop en water en vervolgens in een kist vastgetrapt. De volgende dag werd het in manden een verdieping lager gebracht. Daar stonden de voorbereidingsmachines. Een vloormachine,twee krasmachines en twee drolmachines. Alle werden met een handwiel door een man of vrouw aangedreven. Met de vloormachine, die bestond uit een aantal rollen met krassen(pennen) erop, werd van gewassen katoen een mat gemaakt die op een rol werd gedraaid. Was deze rol vol dan werd deze vervolgens door één van de krasmachines gedraaid die er plukken(lonten) van maakte. Deze plukken werden door een meisje, de droller, op een 'doek zonder eind'(een lopende band) achter elkaar gelegd waarna ze door de drolmachine geleid werden waarin de plukken in elkaar gedraaid werden tot één lengte die op een houten pen werd gedraaid. Als zo'n pen was volgedraaid heette dat een sloep. Deze sloepen werden naar de begane grond gebracht waar de spinmachines stonden. 

 


In dit pand aan de Brouwersstraat was de katoen-spinnerij van Telsemeyer gevestigd. 

Deze spinmachines waren of de genoemde spinning-jennies of in Frankrijk nagebouwde apparaten. Daar noemde men ze jeanettes. Achter op de spinmachines werden de sloepen gestoken en dan werd door de spinner met behulp van een handwiel de draden gerekt en in elkaar gedraaid op een stalen pin. De zodanig gespinde en opgrolde draad noemde men cops  en deze was geschikt voor de weverij. Een handgedreven spinmachine kon destijds honderd pinnen hebben en dus in één keer honderd cops maken. Wilde men de capaciteit van zo'n spinmachine nog vergroten dan moest men de machine aan laten drijven met behulp van een stoommachine omdat het gevraagde vermogen dan te groot werd voor één man. Maar in 1823 kwamen stoomspinnerijen in Nederland niet voor. Het product wat er in de fabriek van Böhmers waren inslaggarens. Deze hoefden niet zo sterk te zijn als kettinggarens. Kettinggarens zijn die garens die tijdens het weven van de wever aflopen.   Voorts stonden er in de fabriek van Böhmers voorbereidingsmachines voor de wolspinnerij. Het gehele pakhuis waarin de katoenspinnerij was ondergebracht was tegen brand verzekerd. Dat was geen overbodige luxe. Naast de lichtramen bestond de verlichting uit olielampen. Vooral op de verdieping waar d voorbereidingsmachines stonden hing er voortdurend katoenstof in de lucht en was het brandgevaar steeds aanwezig.
 

In Harlingen waren in 1830 twee van deze katoenspinnerijen. Naast die van Wilhelm Böhmer stond er één aan de Brouwersgracht nr 13(Nu Brouwersstraat)  Eigenaar daarvan was Gerardus Telsemeyer. In 1834 is Wilhelm Böhmers aanwezig bij de oprichtingsvergadering van de Zaklinnenfabriek. Men hoopte van zijn kennis gebruik te kunnen maken. Maar Böhmers zag voor zichzelf geen belang in de oprichting van deze fabriek en trok zich terug. Over het zakelijk reilen en zeilen van de katoenfabriek is niets bekend. Het einde van het bedrijf had geen economische oorzaak maar kwam in 1843 toen Wilhelm Böhmers en zijn vrouw beiden aan ziekte overleden zonder dat er iemand was die het bedrijf wilden voortzetten. De fabriek en inboedel werden te koop aangeboden. De katoenspinmachines wilde niemand hebben. Alleen twee wolkaardmachines werden gekocht door Henricus Stroband. Deze behoorde destijds tot de directie van de nabijgelegen zaklinnenfabriek. Als laatstgenoemde fabriek in 1892 zijn poorten sluit is het met de textielindustrie in Harlingen gedaan. In de achttiende eeuw was het een bedrijfstak waar soms veertig procent van de Harlingers hun brood verdienden.