DE ZAKLINNENFABRIEK VAN HARLINGEN
 


De na de brand in 1868 gebouwde spinnerij gezien vanaf de Steenhouwerstraat.

De Franse tijd (1796 - 1814) had de welvaart van Nederland geen goed gedaan. Vooral de kuststeden hadden zwaar te lijden gehad. Harlingen was één van deze steden. De zeehandel herstelde zich slechts langzaam en de werkloosheid bleef hier hoog. Was voor de Franse tijd het weven van katoen en linnen in Harlingen nog een bloeiende nijverheid, na het vertrek van de Fransen heerste er onder de uitoefenaars van dit beroep in Harlingen een rampzalige werkloosheid. Van de ruim vijftienhonderd weefgetouwen die bij de wevers thuis stonden waren er in 1814 nog zo'n vijfentwintig in werking. Vijftienhonderd is veel voor een stad met nog geen achtduizend inwoners. Bij veel wevers hebben waarschijnlijk meerdere weefgetouwen gestaan. De lange duur van de werkloosheid en de daaruit voortvloeiende verarming van een grote groep Harlingers deden het inzicht ontstaan bij de kleine, kapitaalkrachtige bovenlaag van de stad, aangevoerd door dominee Jentink, dat actie moest worden ondernomen. Over genoemde dominee is niet veel bekend. Maar het moet een doener geweest zijn die wel inzag dat de praktisch ingestelde en toch al niet zo vrome Harlingers in deze slechte tijd meer hadden aan arbeid dan aan een mooie preek. Hij wist de eigenaren van de Harlinger zoutziederijen, waarvan er toen in Harlingen dertien waren, zover te krijgen dat dezen toezegden de hun benodigde linnen zoutzakken bij een nieuw op te richten zaklinnenweverij en spinnerij te willen kopen mits ze van goede kwaliteit waren en de prijs ervan niet hoger zou zijn dan de prijs die ze tot dan toe betaalden. Het benodigde geld kreeg hij door renteloze leningen en giften. Het werk zou worden verricht door werkloze wevers en spinsters. De gemeente Harlingen stelde het voormalige arm- en spinhuis ter beschikking als onderkomen voor de nieuwe fabriek. In dit langwerpige gebouw dat langs de Zuidkant van de huidige Spinstraat stond, tegenover de huidige drukkerij Bambach, begon in november 1834 het verhaal van de Zaklinnenfabriek.

 


Handwever. Uit:'Unsere Lippische Heimat' van Karl Henckel

Met in allerijl bijeengeraapte weefgetouwen en spintoestellen begon men met het produceren van zoutzakken. De leiding was in handen van dominee Jentink en boekhouder werd Jan van Hulst. Moeilijkheden bleven dit jonge bedrijf natuurlijk niet bespaart. Het werkvolk zal toch voor een groot deel hebben bestaan uit werkloze wevers en hun gezinnen die gewend waren thuis te werken. Het bij elkaar brengen van al deze min of meer zelfstandige werkers in één fabrieksgebouw waar de leiding in handen was van één baas bracht de nodige problemen met zich mee. De motivatie om in zo'n geheel nieuw opgezet bedrijf met zijn allen samen te werken, na twee maanden werkten er al negentig mensen, zal er niet direct geweest zijn.  Er waren ordeproblemen. Diefstal, dronkenschap, onwil, brutaliteit en onzedelijk gedrag vonden er plaats. Al na korte tijd moest de baas worden vervangen. Over hem werd geschreven: "Wij vonden in hem al datgene wat wij niet gezocht hadden en zochten in hem wat wij niet konden vinden".  Tegelijk met de fabriek werd er een weefschool opgericht in een leegstaand pand in de Karremanstraat. "Ledigloopende jongens werden van de straat genomen en zouden in de kunst van weven onderrigt worden".  De hier aangestelde leraar wist echter evenveel van weven als zijn leerlingen zodat er op deze school meer baldadigheid werd bedreven dan dat er onderricht gegeven werd. En dan het product. De kwaliteit was slecht en er werd tweemaal zoveel grondstof gebruikt als nodig was.

 De grondstof die men voor het weven van linnen gebruikt is vlas. Maar vlas was duur en men zocht naar een goedkopere grondstof.  Om vlas geschikt te maken voor de spinnerij moest men het braken. Dit is het kneuzen der houtachtige deeltjes. Dit werd gevolgd door het zwingelen of uitslaan. Hierbij werden de houtachtige deeltjes verwijderd. Het korte afvalvezel wat bij deze laatstgenoemde bewerking ontstond noemt men heede of werk.        Deze heede werd meestal verbrand en had geen enkele marktwaarde. De directie van de Zaklinnenfabriek kocht partijen van deze heede op om dààr uiteindelijk groffe garens van te spinnen. Deze garens wilde men toepassen als inslaggarens bij de vervaardiging van de zoutzakken. Of er in Nederland toen al meer van deze "werkspinnerijen" waren, waar men de kunst af kon zien, is niet bekend. De leiding van de fabriek in Harlingen heeft er in ieder geval heel veel moeite mee gehad om de ruwe grondstof te verwerken tot garens.        Net als in katoenspinnerijen(zie het verhaal over de katoenspinnerij op deze website) moest ook de heede door voorbereidingsmachines verspinbaar gemaakt worden. Maar wat waren de geschikte machines hiervoor? Ook de weeftoestellen en de spinnewielen die men gebruikte waren eigenlijk niet geschikt voor het verwerken van de groffe heede.  Ze werden immers oorspronkelijk gebruikt voor het spinnen van het veel fijnere katoen. 

Als gevolg van alle tegenslagen en aanvangskosten was in april 1835 het geld van de Zaklinnenfabriek op. Men gaf de strijd echter niet op. Proefnemingen tot het vervaardigen van dwijllinnen en koffiezakken werden genomen. Van deze laatste nu werden monsters aan de Nederlandse Handelsmaatschappij ter keuring gezonden. Deze Nederlandse Handelsmaatschappij was na de Franse overheersing opgericht om de Nederlandse handel en industrie te stimuleren. Nederland sloeg toen op economisch gebied in West-Europa een pover figuur. Vooral de technische ontwikkeling van de Nederlandse industrie liep ver achter op die van de buurlanden. Toen de Zuidelijke Nederlanden zich afscheidden in 1830 om als het Koninkrijk België verder te gaan raakte Nederland daardoor ook nog zijn belangrijkste industriegebied kwijt. Ook de stad Gent met zijn belangrijke textielfabrieken. De Nederlandse regering vond het nodig om toch over een eigen textielindustrie te beschikken. De Nederlandse Handelsmaatschappij nu werd één van de hoofdrolspelers bij de ontwikkeling van deze industrie in eigen land. In Noord-Brabant werd al veel textiel in fabrieken vervaardigd dit in tegenstelling tot de Achterhoek en Twente waar het nog hoofdzakelijk een huisindustrie was. Het lag dus voor de hand om de Brabantse bedrijven te steunen in hun ontwikkeling. Maar Noord-Brabant was katholiek en had sterke banden met België. De Nederlandse regering in Den Haag vertrouwde deze provincie niet. En zo werd het Twente. Ook hier waren rond 1830 dominees in de weer met weefscholen en veel werklozen. Ook hier onwillige mensen en producten die veel te wensen overlieten. Maar altijd was daar de Nederlandse Handelsmaatschappij die veel accepteerde wat de kwaliteit van de producten betrof en met grote orders de jonge textielfabrieken op de been hield. De Nederlandse Handelsmaatschappij werd niet voor niks de "Moeder van de textielindustrie" genoemd.

 


Zijaanzicht van een kaardmachine


Detail van een kaardmachine

Op 21 augustus 1835 kreeg de Zaklinnenfabriek zijn eerste order van de Nederlandse Handelsmaaatschappij. Het ging om 20000 koffiezakken à 38 cent per stuk. Een grote order die het bedrijf uit zijn ergste financiële problemen haalde.  Er kwamen vervolgorders voor nog meer koffiezakken en tot 1841 zat er een stijgende lijn in de maandelijkse productie van deze zakken voor de Nederlandse Handelsmaatschappij. Al gauw was het veruit de belangrijkste inkomstenbron voor de Zaklinnenfariek. De oude spinnerij  werd nog een keer zo groot gemaakt en een deel van het spinwerk werd uitbesteed aan andere instellingen zoals bijvoorbeeld het armhuis op Ameland en het weeshuis van Harlingen.  Er werkten in 1938 319 mensen in de fabriek van wie 128 jonger dan zestien jaar waren. Dit aantal was zo groot dat ze overdag niet meer op de stadsarmenschool terecht konden. Er werd besloten in samenspraak met het hoofd van de school dat de jeugd van de Zaklinnenfabriek voortaan 's avonds een uur les zouden krijgen. Het aantal van 319 medewerkers was niet alleen voor Friese begrippen een groot aantal maar ook landelijk was de Zaklinnenfabriek  wat werkgelegenheid betrof een groot bedrijf. 

 


Deze mensen werkten er.

In de jaren die volgden bleef de Nederlandse Handelsmaatschappij de grootste klant. In die periode slaagde de directie van de fabriek er eindelijk in om geschikt kettinggaren te bemachtigen via het handelshuis Mees & Moens uit Rotterdam. Het genoemde handelshuis kocht dit kettinggaren in Engeland. Maar een zwak punt van de fabriek bleef dat men weinig of niets deed aan de zuivering van de heede zodat de kwaliteit van het totaal produkt aan de lage kant bleef. Toen in april 1841 dan ook een afgeleverde partij van 16000 koffiezakken in Amsterdam werd afgekeurd door de Nederlandse Handelsmaatschapppij zal dit voor de directie van de Zaklinnenfabriek dan ook niet helemaal als een verassing gekomen zijn. Het was nu duidelijk voor de directie dat de heedezuivering serieus aangepakt worden. De directie maakte een reis naar Twente waar inmiddels ook een paar heedespinnerijen waren gesticht. Bij deze bedrijven werd de heede gezuiverd met door stoom aangedreven machines.  De ene machine heette een duivel en hiermee werd de pakken heede losgemaakt.  Daarna werd de heede op een kaardmachine bewerkt. Op deze machine werd de heede ontward en tot een vezelvlies gevomd. De vezels liggen dan allemaal in dezelfde richting. Dit vlies wort later samengeknepen en de zo verkregen lont kon tot garens gesponnen worden                                                                                        
Bij het zoeken naar een geschikte kaardmachine liep de directie van de Zaklinnenfabriek steeds weer aan tegen het gebrek van stoomkracht. De zuiveringsmachines voor het zuiveren van de ruwe en stugge heede vroegen namelijk een redelijk groot vermogen.  De directie wilde of kon blijkbaar geen stoommachine aanschaffen. Was het de prijs van deze machines. In die tijd had een stoommachineinstallatie ongeveer f6000,- gekost. Een fors bedrag maar toch niet onoverkomelijk als men daarmee de kwaliteit van de inslaggarens kon verbeteren. Of was het de voortdurende aanvoer van zoet water voor de ketel een probleem.  In Harlingen was het grondwater vooral in droge perioden brak. Men vindt uiteindelijk een oplossing in de Harlinger fabriek. Men liet van hout twaalf kleine kaardmachines maken. Deze werden door mensen aangedreven met handwielen. Met deze apparaten kon men de heede dan blijkbaar toch voorlopig op een redelijk bevredigende manier zuiveren.

Langzaam aan werden de eisen die de Nederlandse Handelsmaatschappij stelde strenger. In 1850 kreeg de Directie van de Zaklinnenfabriek bericht dat de koffiezakken in het vervolg gemaakt moesten worden van jute. Het betekende dat de fabriek elders haar garens moest kopen. Dit gebeurde bij de grote jutespinnerij van Ter Horst in Rijssen.  Een groot deel van de heedespinnerij werd overbodig en daarmee vele spinsters. Een gevoelig verlies voor een bedrijf dat oorspronkelijk was opgezet om zoveel mogelijk mensen aan werk te helpen. Het personeel van de fabriek bestond oorspronkelijk uit verarmde wevers en hun gezinnen. In fabrieken als de Zaklinnenfabriek werkten de wevers en spinners gewoonlijk voor een stukloon. In de winter werkten er ook schippersfamilies die met hun schip de winter in Harlingen doorbrachten. Verder zullen er mensen gewerkt hebben die 's winters van de armenzorg afhankelijk waren en niet een bepaald beroep beheersten. Een gemengd gezelschap dus waaruit na de moeilijke beginjaren toch een stabiele groep werkers moet gegroeid zijn die het bedrijf draaiende hield. Armoede en zwaar werken was het. Men was het gewend in de eerste helft van de negentiende eeuw maar ook in de latere decennia. Een grote Harlinger, Hotse Schuil,  heeft eens gezegd over zijn jeugdjaren: "Alle meensen in de buurt waren arm dus je merkten dat niet".       

 


Stoommachine met rechts R de luchtpomp die de stoom uit de stoomzuiger naar de condensor pompte

Op 12 juli 1868 kraaide de rode haan. De spinnerij ging helemaal in vlammen op maar ook de weverij werd zwaar beschadigd. De veerkracht van de directie was echter niet gebroken. Men maakte plannen voor herbouw en begin augustus 1868 werd de vernieuwde Zaklinnenfabriek opgeleverd. In deze nieuwe fabriek dan toch een stoommachine.  Met een vermogen van 10pk zorgde hij voor de aandrijving van de duivel en de kaardmachine. De ruimte waarin de machines stonden had dubbele muren en een stalen dak. Bij het gebruik van de machines ontstonden blijkbaar nogal wat trillingen. De kaardmachine had zelf ook een zwaar fundament.  Het probleem waar men in Harlingen altijd mee zat van het te brakke voedingwater voor de stoomketel had men als volgt opgelost. Men had een stoomketel gekocht met erachter een stoomcondensor. De gebruikte stoom werd , na de arbeidsslag van de stoomzuiger, door een luchtpomp in deze condensor gebracht waarin de stoom tot water condenseerde. Zo kon men steeds hetzelfde zoete water gebruiken. De stoom werd in de condensor gekoeld met water wat door een pomp uit de Zuidergracht werd gehaald en eenmaal warm geworden weer terugging naar de gracht liep. Voor de aan en afvoer van het koelwater waren vanaf de Zuidergracht twee leidngen aangelegd naar de Zaklinnenfabriek.( In de huidige Spoorstraat, op de hoogte van de uitrit van het inmiddels gesloopte Dukdalf, verzakte destijds de asfaltlaag van de weg als gevolg van de nog steeds aanwezige leidingen. Op die plaatsen heeft men extra asfalt aangebracht wat nog steeds te zien is. )

 


De oude spinnerij na de bevrijding in 1945(Uit: Harlingen in Oorlogstijd)

Van het weinige wat ons vandaag nog rest van de Zaklinnenfabriek zijn de kasboeken van 1875 tot en met 1889. Wie ze bestudeert kan niet tot de conclusie komen dat het slecht ging met de fabriek. Toch staakte het bedrijf zijn activiteiten in 1892. Het gehele complex gebouwen werd in dat jaar verkocht aan Hubert Jans. Deze sloopten de oude weverij en zetten er een nieuw houtstek neer. De in 1868 gebouwde spinnerij werd in de dertiger jaren van de twintigste eeuw gebruikt voor het sorteren en opslaan van aardappels. In de oorlogsjaren werd dit gebouw gevorderd door de Duitsers die het gebruikten voor opslag van munitie. Toen in april 1945 de Canadezen de Duitsers uit de stad verdreven raakte het in brand en werd onherstelbaar verwoest. De stad vierde feest en er was niemand die treurde om het laatste restant van wat eens de Zaklinnenfabriek was geweest.

 


Bovenstaande foto in 2006 gemaakt toont de plaats waar tot 1945 de oude spinnerij van de Zaklinnenfabriek stond. 


DE WASBLEEK



De Wasblekers in 1904

Het was aan het einde van de winter van het jaar 1904. De ganzen op de graslanden ten Zuiden van de stad Harlingen maakten zich op voor de trek naar Scandinavië. In de Harlinger stadsgrachten begonnen de kleine binnenvaartschepen langzaam aan hun overwinteringsplaats weer te verlaten en in de Zuiderhaven werden de schepen van Hubert Jans weer klaargemaakt voor de vaart. Het waren twee oude houtslepers, de LAURA en de ADELAAR die ieder jaar weer naar de Noordelijke landen zeilden om hout te halen. Koppig hielden de beide schepen de strijd vol tegen de stoomschepen die steeds meer van de houtvaart overnamen van de zeilschepen. De stad kwam tot leven na een lange strenge winter. Er kwam weer werk voor het vele losse werkvolk. De havenarbeiders, de balkvlotters, en de mannen en vrouwen die in de panwerken en de steenfabrieken in en om de stad werkten. De armenkassen waren leeg geraakt in deze strenge winter. Maar nu kon er weer geld verdiend worden..

Ongeveer op de plaats waar nu de Super de Boer winkel staat stond tot 1928 de Wasbleek. Het was een hofje dat daar in de zeventiende eeuw was gebouwd op de plaats waar daarvoor een linnenblekerij was geweest. Het waren huisjes bedoeld voor weduwen uit de betere stand. In de negentiende eeuw was het vierkant van kleine huizen geworden tot het onderdak van vele gezinnen. Allemaal mensen uit de lagere stand. Klompenvolk dus. Meest fatsoenlijk volk maar ook ruwer levende famillies. Veel mensen die tijdens de landbouwcrisis, wellicht de eerste economische crisis die niet door tekorten maar door overproductie was veroorzaakt, van het Friese platteland gedreven waren naar de stad.

 


De LAURA van Hubert Jans ligt gekrenkt in de Suderhaven in 1902.

's Morgens vroeg, zo gauw de hemel en de aarde van elkaar te waren onderscheiden, liepen de mannen van de Wasbleek zwijgend onder het poortje door op weg naar hun werk. Wat achterbleef bij het poortje waren de honden. Zij verdedigden het erf. Ze waren net zo solidair met elkaar als de bewoners van de Wasbleek dat waren. Ze maakten duidelijk onderscheid de bewoners van het oude hofje en buitenstaanders. Eén zo;n buitenstaander was de nieuwe dokter. Hij kwam om te kijken naar de brandwonden die één van de mannen uit de Wasbleek had opgelopen bij het nachtwerk in een touwslagerij. Op een morgen wandelde hij de Wasbleek binnen, bolhoed op en zijn zwarte tas in de hand onder het poortje door. Wat geblaf en gebrom, schreeuwende vrouwen, huilende kinderen en mèkkerende geiten en de dokter kwam rennend onder het poortje door naar buiten achterna gezeten door een troep honden. Honden van allerlei kleur en samenstelling. Na deze actie gingen de honden weer naar de binnenplaats om zich daar verder te vervelen. Later als hun instinct hun riep gingen naar de buitenkant van het hofje. Daar lagen de tuintjes van de Wasblekers. 's Nachts gingen de honden daar op zoek naar ratten die vanuit de Sudergracht over het spoor naar de tuintjes kwamen.
 


Bosniërs met hun dansberen ...........


In de eerste week van juni kwam de kermis naar Harlingen. De regenten hadden in het verleden deze week daarvoor uitgezocht omdat het begin juni vaak regende en de mannen die in het buitenwerk zaten dan toch niet veel konden doen. Langs de vaarten naar Harlingen voeren de woon en tjalkschepen van de kermisgasten beladen met feesttenten, de stad in. Grote kermiswagens kwamen langs de straatweg van Leeuwarden voortgetrokken door zware Belgische paarden. Op de Schritsen en de Heiligeweg werd al dat vreemde omgetoverd in Theater, Galanterie- Koek- Banketkramen en Poffertjessalons. Vanaf de Grote Brede Plaats hoorde je voortdurend de fluit van de stoomcaroussel. De bewoners uit de tiepelstegen, de bargebuurt en het havenkwartier kwamen op deze kermis af om al dat wonderlijke mee te maken. Boeren uit de omgeving van de stad, sédyksters en zeelui, Scandinavische en Engelse, mengden zich met het kermispubliek. Harlingen was toen nog een internationale stad. Waarzegsters en Bosnische bereleiders met hun vervaarlijk uitziende beesten waren er. Neuwsgierig bezagen de Harlinger vrouwen deze 'Swarte kerels'. En de Wasblekers waren er natuurlijk ook. Luidruchtig en levendig want het was feest.

Als de zomer warm en droog was en de put op de binnenplaats van de Wasbleek droog stond moesten de vrouwen met emmers aan een juk helemaal naar de vijver achter het weeshuis om daar water te halen. Groate Jo, Goffes Minke en Djoeke, drie vrouwen uit de Wasbleek, maakten deze wandeling op een warme dag in juli. Groate Jo was een grote blonde en gelukkige vrouw. Met haar man en al haar witte kinderen woonde ze al wat jaren in de Wasbleek. Minke was de vrouw van Goffe. Hij was een anarchist en hij was dus niet geliefd bij de bazen. Djoeke was alleenstaand. Haar moeder was al jong overleden en haar vader was aan de drank geraakt en had zijn 'skipke' waarmee hij groente naar de veiling in Berlikum vervoerde moeten verkopen. Hij was met al zijn kinderen naar Harlingen gegaan. Daar hadden ze gewoond in de voormalige katoenfabriek aan de Zuiderhaven. Het hele oude gebouw was verbouwd tot kleine woningen en er woonden toen wel honderd mensen in het oude pakhuis. De drie vrouwen liepen door de Spinstraat. Aan weerszijden stonden houtstekken. Altijd hing daar de lucht van gezaagd hout. Vervolgens liepen ze langs de nieuwe school achter de werf. Daar zaten veertig jongens en meisjes in een klaslokaal. Meester had net verteld over de Nederlandse Boeren in Zuid-Afrika die een heldhaftige strijd hadden gevoerd tegen de Engelsen en de Kaffers. De Kaffers waren wilden had meester verteld die natuurlijk ook mensen opaten. De hele kinderschare was onder de indruk geraakt van deze verhalen. Daarna gingen ze zingen. Liederen die de Boeren in Zuid-Afrika ook iedere dag zongen. Vol vuur zongen de kinderen want ze voelden zich verwant met die Boeren. "O breng mij terug naar die Oud-Transvaal" schalde het door het hoge lokaal. Een lied zò mooi dat het in de jaren zestig nog altijd werd gezongen. Je kon het horen op warme junidagen als de schoolramen openstonden.
 


Als de grimmige Noord-Ooster waaide ...........

De Wasblekers waren net als alle Harlingers levendig en 'nieusgierig'. Toen de Koningin op bezoek was in 1905 Harlingen en de hele stad was versierd met oranje vlaggen waren ze erbij. Maar in de winter, als de grimmige Noord-Ooster waaide en het eten schaars begon te worden liepen de Wasblekers achter de Rode vlaggen aan van de Socialisten aan. In één van de boeken van Hylke Speerstra beweerd een oude Friese visserman dat "de overheid in de kleine vissersplaatsen langs de Noord Friese kust kinderen heeft laten sterven aan ondervoeding gedurende de strenge winter van 1904". Dat gebeurde in die tijd nog.

 


De Wasbleek net voor de sloop in 1928

Net als zoveel huizen in de Harlinger binnenstad waren de huizen van de Wasbleek onbewoonbaar verklaard Waterleiding was er niet en de huizen zaten vol ongedierte. In 1928 werd de Wasbleek gesloopt. Een groot deel van de bewoners kreeg een huis in de nieuwe buurt achter de Schouwburg. Die buurt zou na de oorlog de meest muzikale buurt worden. Wie er één betalen kon had al snel een grammofoon. En wie niet één betalen kon kocht er ook één. Men spaarde niet in Harlingen. "Ju kan morgen wel doad wese" was de filosofie. Het oude hofje werd voor het gesloopt werd eerst in brand gestoken om al het ongedierte te verjagen. Die nacht zwierven er veel verjaagde ratten door de oude binnenstad van Harlingen.